Glycemische index voor iedereen gelijk?

Koolhydraatbronnen met een lage glycemische index worden aangeraden omdat ze voor een minder hoge stijging van het glucose in het bloed zorgen, maar klopt dat voor iedereen? Is het een juiste aanname dat de glycemische index voor iedereen hetzelfde is? Wat wordt er verstaan onder de glycemische index? Klopt dat wel met de wetenschappelijke bevindingen? Wat doen we als het anders blijkt te zijn?

Wat is de glycemische index (GI)?

De glycemische index (GI) is een getal dat aangeeft hoe snel glucose uit 100 g van een voedingsmiddel wordt opgenomen vanuit het spijsverteringskanaal in het bloed. De GI wordt weergegeven in een getal dat kan variëren van 0 tot 100. Voedingsmiddelen met een glycemische index van 0 tot 55 worden gezien als voedingsmiddelen met een lage glycemische index. De gemiddelde glycemische index ligt tussen 55 en 70 en voedingsmiddelen met een glycemische index hoger dan 70 hebben een hoge GI. Nu is het belangrijk dat hoge en lage glucosegehalten in het lichaam moeten worden voorkomen. Een te hoog glucosepeil zorgt namelijk voor beschadiging van de kleinste bloedvaten in het lichaam en het zorgt voor vochtverlies, omdat de nieren niet alle glucose weer terug kunnen resorberen als de urine wordt gevormd. Er is dan sprake van diabetes.
Bij een te laag glucosepeil krijgen de hersenen onvoldoende glucose waardoor je niet meer helder kunt denken, verward wordt en in ernstige gevallen het bewustzijn kunt verliezen en overlijden.

Hoe worden pieken en dalen in het bloedglucose voorkomen?

Het mechanisme van het beheersen van de glucosestijging en -daling werkt als volgt: als er glucose in het bloed komt scheiden de bètacellen van de eilandjes van Langerhans in de pancreas (alvleesklier) insuline af. De insuline zorgt er dan voor dat de glucose dan wordt opgenomen in de spiercellen en in de lever. Daardoor wordt een te hoog glucosepeil in het bloed voorkomen. De spiercellen gebruiken de glucose voor lichamelijke arbeid, maar in perioden van rust wordt de glucose omgezet in de reservebrandstofvoorraad glycogeen. In de lever wordt de glucose opgeslagen als glycogeen. De glycogeenvoorraad in de lever wordt gebruikt om het bloedglucose op peil te houden als deze te veel daalt. Dat werkt als volgt: zodra het glucosepeil in het bloed te laag wordt, scheiden de alfacellen van de eilandjes van Langerhans  het hormoon glucagon af dat vervolgens zorgt dat de glycogeen in de lever weer omgezet wordt tot glucose en afgegeven wordt aan het bloed.  

Glycemische index niet alleen afhankelijk van stijging glucose

De glycemische index is echter niet een vaststaande waarde per voedingsmiddel dat voor elke persoon geldt. In het verleden werd al duidelijk dat de GI per persoon en zelfs per moment bij dezelfde persoon kan variëren.
Bij de definitie van de GI wordt alleen uitgegaan van de glucose die vanuit het spijsverteringskanaal in het bloed terecht komt. Onderzoek uit 2003 leert echter dat ook de snelheid waarmee insuline afgescheiden wordt en de snelheid waarmee glucose vervolgens dan uit het bloed weer in de weefsels opgenomen wordt van invloed is op de stijging van de bloedglucose.

Glycemische Index voor iedereen anders?

In een onderzoek bij 800 personen dat in 2015 werd uitgevoerd is ontdekt dat daarnaast ook nog invloed op de GI wordt uitgeoefend door het gehele voedingspatroon, de lichaamssamenstelling, lichaamsbeweging en de samenstelling van het darmmicrobioom. Op basis daarvan werd een algoritme geformuleerd om persoonlijke GI-profielen vast te stellen. Het algoritme werd met behulp van data van 1000 andere personen gebruikt om voor hen een persoonlijk profiel voor de GI van verschillende voedingsmiddelen op te stellen. Deze persoonlijke voedingsadviezen die toen opgesteld werden leidden gemiddeld tot minder hoge stijgingen van het bloedglucose na maaltijden en ook het darmmicrobioom van deze personen veranderde. In de wetenschap geldt nu eenmaal dat één onderzoek geen onderzoek is en dat er dus meer onderzoek nodig is voor dat er een definitief advies kan worden opgesteld.

Samengevat

GI is niet alleen afhankelijk van de glucoseopname vanuit het spijsverteringskanaal in het bloed, maar wordt ook bepaald door de snelheid waarmee de glucose gelijk wordt opgenomen in de lichaamsweefsels.
De GI is geen vaststaand gegeven dat voor iedereen gelijk is.
Daarnaast zijn er meerdere factoren die de GI kunnen beïnvloeden, zoals lichaamssamenstelling, beweging en het darmmicrobioom en mogelijk zijn er nog meer factoren die het persoonlijke GI-profiel bepalen.
Kortom: De GI-lijst kan wel worden gezien als een indicatie die voor veel mensen kan gelden, maar de GI van ieder voedingsmiddel kan bij dezelfde persoon wel per situatie variëren.  


Geplaatst door Anneke Palsma op 21 February 2020